6 February, 2002

020701
Spelregels softball hoofdstukken 1 en 2
Dit zijn de gewijzigde spelregels 2002 - 2005. Gewijzigde zaken zijn onderstreept
1.01          Altered bat (Veranderde knuppel)
Een knuppel is 'veranderd' wanneer de materiële structuur van een reglementaire knuppel werd gewijzigd. Een wijziging is bijvoorbeeld: de greep van een metalen knuppel vervangen door een greep van hout of van een ander materiaal; het (op)vullen van de binnenzijde van een knuppel; de greep voorzien van extra (meer dan twee) lagen tape; het aanbrengen van verf aan een of beide uiteinden van de knuppel met een ander doel dan het herkenbaar maken van de knuppel door middel van een met verf aangebracht merkteken. Vervanging van de veiligheidsgreep door een andere reglementaire veiligheidsgreep wordt niet beschouwd als een 'verandering' van de knuppel. Wanneer een wijd of puntig uitlopende veiligheidsgreep is aangebracht wordt dat beschouwd als een 'verandering'.

1.02          Appeal play (Appèlsituatie)
Dit is een situatie waarbij, terwijl het spel al of niet dood is, een scheidsrechter geen beslissing kan nemen voordat een coach of speler van het verdedigende team hem verzoekt een beslissing te nemen. Er kan worden geappeleerd tegen:
1) het missen van een honk;
2) het verlaten van een honk bij een vangbal voordat de bal is aangeraakt door een velder;
3) het niet in de juiste volgorde slaan;
4) een poging om naar het tweede honk door te gaan na het eerste honk voorbij te zijn gegaan;
5) een  onreglementaire vervanging
6) een onregelmentaire re-entry
Uitzondering: Een (hoofd)coach of speler van het aanvallende team mag appelleren op onreglementaire vervangingen door het verdedigende team.
Indien het verzoek wordt gedaan door een velder moet deze zich op dat moment in het binnenveld bevinden. Appèl is niet meer mogelijk nadat één van de volgende mogelijkheden zich heeft voorgedaan:
a.          de volgende bal is (reglementair of onreglementair) geworpen.
b.          de werper en alle verdedigende spelers hebben goed gebied verlaten.
Uitzondering
                    Tegen het gebruik van een onreglementaire vervanger of een onreglementaire re-entry mag op elk moment tijdens de wedstrijd worden geappelleerd zolang de onreglementaire speler nog aan de wedstrijd deelneemt.
c.          de scheidsrechters hebben, na de laatste actie van de wedstrijd, het speelveld verlaten.

1.03          Base on balls (Vier wijd: eerste honk)
De slagman krijgt recht op het eerste honk zonder uitgemaakt te kunnen worden nadat vier worpen als wijd zijn beoordeeld. Dit wordt ook wel een vrije loop genoemd.

1.04          Base path (Pad tussen de honken)
Het pad tussen de honken in een rechte lijn  tussen een honk en de plaats zich de honkloper bevindt op het moment dat een velder tracht hem de bal te tikken.

1.05          Batted ball (Geslagen bal)
Een geslagen bal is iedere bal die de knuppel raakt of door de knuppel wordt geraakt en daarna in goed of in fout gebied terecht komt. De bedoeling om de bal te slaan is daarbij niet nodig.

1.06          Batter's box (Slagperk)
Het slagperk is de plek waar de slagman zich moet bevinden wanneer hij gereed staat met de bedoeling zijn team te helpen bij het verkrijgen van punten.
De lijnen horen bij het slagperk.

1.07          Batter-runner (Slagman-honkloper)
Een slagmanhonkloper is een speler die zojuist zijn slagbeurt heeft beëindigd maar nog niet is uitgemaakt of nog niet het eerste honk heeft aangeraakt.

1.08          Batting order (Slagvolgorde)
De slagvolgorde is de officiële opsomming van aanvallende spelers in de volgorde waarin de leden van dat team aan slag moeten komen. Wanneer de spelerslijst (line-up-card) wordt overhandigd moet deze tevens de veldpositie van iedere speler aangeven.

1.09          Blocked ball (Blokbal)
Een blokbal is een geslagen of aangegooide bal die wordt aangeraakt, gestopt of opgepakt door iemand die niet aan het spel deelneemt of die een voorwerp raakt dat geen deel uitmaakt van het officiële spelmateriaal of van het officiële speelveld.

1.10          Bunt (Stootslag)
Een stootslag is een met de knuppel geraakte bal waarnaar niet werd gezwaaid, maar die men bewust tegen de knuppel laat komen waarbij de bal zachtjes het binnenveld in wordt getikt/gestoten.

1.11          Catch (Vang)
Een vang is een reglementair gevangen bal. Reglementair gevangen wil zeggen dat de velder een geslagen of aangegooide bal met zijn hand(en) of met zijn handschoen vangt. Wanneer de bal daarbij slechts tussen de arm(en) wordt gehouden of de bal daarbij, om niet op de grond te vallen, wordt tegengehouden door enig deel van het lichaam, van de uitrusting of van de kleding van de velder, dan is het geen vang totdat de bal onder volledige controle in de hand(en) of de handschoen van de velder is. Het is geen vang als een velder, onmiddellijk nadat hij contact met de bal heeft gemaakt, in botsing komt met een andere speler of met een omheining of komt te vallen en tengevolge van de botsing of ten gevolge van zijn val de bal loslaat. Om een geldige vang te maken moet de velder de bal lang genoeg vasthouden om te bewijzen dat hij volledige controle over de bal heeft en dat het loslaten ervan bewust en opzettelijk gebeurt. Indien een speler de bal laat vallen terwijl hij bezig is een aangooi te doen dan is de vang geldig.
N.B.
Een bal in vlucht die iets of iemand anders dan een verdedigende speler raakt wordt beschouwd als had hij de grond geraakt.

1.12          Catcher's box (Achtervangersperk)
Het achtervangersperk is het vak waarin de achtervanger moet blijven tot de geworpen bal de hand van de werper heeft verlaten.
De lijnen van het vak horen bij het achtervangersperk.

1.13          Charged conference (Officieel bezoek)
Een 'Officieel Bezoek' vindt plaats wanneer:
a.          de veldpartij (defensive conference), het verdedigende team, om enige reden om een onderbreking van het spel vraagt en een vertegenwoordiger van het verdedigende team (die zich niet in het veld bevindt) het speelveld betreedt en spreekt met een of meer spelers van de veldpartij. Wanneer de vertegenwoordiger, vanuit de dug-out, het veld betreedt en de werper vervangt, geldt dit niet als een officieel bezoek voor de nieuwe werper, maar als een officieel bezoek aan de werper die werd vervangen.
Er is geen sprake van een officieel bezoek van de veldpartij wanneer de vertegenwoordiger zijn werper en/of velders bezoekt en/of spreekt tijdens een officieel bezoek van de slagpartij, mits zij gereed zijn het spel te hervatten zodra de slagpartij klaar is.

1.15          Coach (Coach)
a.          Een coach is iemand die verantwoordelijk is voor het handelen van een team op het veld. Hij vertegenwoordigt het team bij overleg met de scheidsrechters en de tegenstanders.
b.          Een speler mag als coach worden aangewezen in het geval een coach afwezig is of wanneer deze speler speler-coach is.
          In deze spelregels wordt een teammanager beschouwd als hoofdcoach.

1.16          Crow hop (Tweede afzet)
Wanneer een werper, na zich bij een worp tegen de voorzijde van de werpplaat te hebben afgezet, de steunvoet, al of niet met een hupje, voorwaarts zet of voorwaarts sleept en deze steunvoet daarna op die nieuwe plek opnieuw gebruikt voor een voorwaartse afzet (of als een nieuw startpunt) en de worp vervolgens afmaakt, wordt dat beschouwd als een tweede afzet (dit is een onreglementaire handeling).

1.17          Dead ball (Spel is dood)
Het spel is dood als
a.          de bal een voorwerp raakt dat geen deel uitmaakt van het officiële spelmateriaal of het officiële speelveld, of een speler/persoon raakt die niet aan de wedstrijd deelneemt.
b.          de bal is blijven steken in de uitrusting van de scheidsrechter of in de kleding van een speler van de slagpartij.
c.          een scheidsrechter het spel dood maakt.
De bal is vervolgens niet in spel totdat de werper:
a.          de bal binnen de werpcirkel vastheeft
b.          slow pitch
en de plaatscheidsrechter spelen ("play ball") heeft geroepen.

1.18          Defensive team (Verdedigende partij)
Dit is het team dat in het veld staat (de veldpartij).

1.19          Delayed dead ball (Uitgestelde beslissing)
Dit is een spelsituatie waarbij de bal in spel blijft tot alle spelacties zijn beëindigd. Daarna zal de scheidsrechter het spel dood maken en de juiste beslissingen nemen (zie 9.03).

1.20          Dislodged base (Losgeraakt honk)
Dit is een honk dat is losgeraakt en tengevolge daarvan kan zijn verschoven.

1.21          Double play (Dubbelspel)
Hierbij worden twee spelers van het aanvallende team (de slagpartij) reglementair uitgemaakt door ononderbroken en opeenvolgende spelacties van de veldpartij.

1.22          Ejection from the game (Uit het veld sturen)
Elke scheidsrechter kan een speler, een official of enig lid van een team de deelname aan het spel ontnemen door de betrokkene uit het veld te sturen wegens het bij herhaling overtreden van de regels of bij wangedrag.
N.B.
Wanneer hij weigert het veld te verlaten rechtvaardigt dat het staken van de wedstrijd en vervolgens het verloren verklaren van de wedstrijd voor het overtredende team.

1.23          Fair ball (Goed geslagen bal)
Dit is een reglementair geslagen bal die:
a.          op goed gebied blijft liggen tussen de thuisplaat en het eerste honk of tussen de thuisplaat en het derde honk.
b.          voorbij het eerste of derde honk springt en zich daarbij op of boven goed gebied bevindt.
c.          het eerste honk (het deel dat in goed gebied ligt), tweede of derde honk raakt.
d.          terwijl op of boven goed gebied, de persoon of de kleding van een scheidsrechter of speler raakt.
e.          voorbij het eerste of derde honk voor de eerste maal op goed gebied de grond raakt.
f.          boven goed gebied over de omheining het speelveld verlaat.
g.          in vlucht de paal raakt die de foutlijn markeert.
N.B.(1)
Of een hoge slag goed is dient te worden beoordeeld naar de plaats waar de bal zich bevindt ten opzichte van de foutlijn (de paal die de foutlijn markeert daarbij inbegrepen) en niet of de velder zich op goed of fout gebied bevindt op het moment dat hij de bal raakt.
Het doet er niet toe of de bal voor de eerste keer goed of fout gebied raakt, zolang op fout gebied maar niet iets anders dan de grond wordt geraakt en de bal verder alle kenmerken draagt van een goed geslagen bal.
N.B.(2)
                    Bij hinderen bepaalt de plaats van de bal op het moment van hinderen of de bal goed of fout geslagen is, ongeacht of de bal onaangeraakt naar fout of goed gebied rolt.

1.24          Fair territory (Goed gebied)
Dit is het deel van het speelveld tussen de foutlijnen, die vanaf de thuisplaat langs het eerste en derde honk lopen naar de onderkant van de omheining aan het einde van het speelveld en loodrecht omhoog.
De foutlijnen horen bij goed gebied.

1.25          Fake tag (Tikken zonder balbezit)
Dit is een vorm van obstructie tegen een honkloper, die een honk nadert of er naar terugkeert, door een velder die de bal noch in bezit heeft noch op het punt staat de bal te ontvangen, terwijl hij doet alsof hij de bal in bezit heeft, en zodoende het honklopen belemmert.
Het is daarbij niet nodig dat de honkloper stopt of een sliding maakt. Alleen al vaart verminderen bepaalt dat obstructie wordt gepleegd als een tikbeweging wordt gemaakt zonder daarbij de bal in bezit te hebben.

1.26          Fielder (Velder)
Een velder is iedere speler van het verdedigende team, die een verdedigende positie in het veld heeft ingenomen

1.27          Fly ball (Hoog geslagen bal)
Dit is iedere bal die omhoog in de lucht wordt geslagen.

1.28          Force out (Gedwongen uit)
Deze kan alleen worden gemaakt wanneer een honkloper het recht verliest op het honk dat hij bezet, omdat de slagman slagman-honkloper wordt en voordat een hem opvolgende honkloper of de slagmanhonkloper is uitgemaakt.

1.29          Foul ball (Foutslag)
Een foutslag is een reglementair geslagen bal die:
a.          op fout gebied blijft liggen tussen de thuisplaat en het eerste honk of tussen de thuisplaat en het derde honk.
b.          voorbij het eerste of derde honk springt op of boven fout gebied.
c.          voor de eerste maal de grond raakt op fout gebied voorbij het eerste of derde honk.
d.          op of boven fout gebied de persoon of de kleding van een scheidsrechter of speler danwel enig voorwerp, anders dan de grond, raakt.
e.          de slagman raakt terwijl deze zich in het slagperk bevindt.
f.          meteen opstuit van de grond of van de thuisplaat en de knuppel een tweede maal raakt terwijl de slagman zich in het slagperk bevindt.
N.B.(1)
Een hoog geslagen bal, die een foutslag zou kunnen worden, moet worden beoordeeld naar de positie van de bal ten opzichte van de foutlijn (met inbegrip van de paal aan het einde van de foutlijn) en niet naar de positie van de velder, die zich op goed of fout gebied bevindt op het moment dat hij de bal aanraakt.
N.B.(2)
Bij hinderen bepaalt de plaats van de bal op het moment van hinderen of de bal goed of fout geslagen is, ongeacht of de bal onaangeraakt naar fout of goed gebied rolt.

1.30          Foul tip (Fouttip)
Een fouttip is een geslagen bal die:
a.          direct van de knuppel in de handen van de achtervanger terecht komt,
b.          daarbij niet hoger komt dan het hoofd van de slagman en
c.          door de achtervanger reglementair wordt gevangen.
N.B.
Het is geen fouttip als de bal niet wordt gevangen. Wordt hij gevangen dan is het een slag. Het is geen vang wanneer de bal, na de knuppel, tussentijds iets anders raakt, tenzij de bal wel eerst de hand(en) of de handschoen van de achtervanger heeft geraakt.

1.31          Helmet (Helm)
a.          Een helm moet twee oorbeschermers hebben (aan elke kant een) en moet van het type zijn met veiligheidsvoorzieningen die gelijkwaardig zijn aan of beter zijn dan de geheel van plastic gemaakte petvormige helmen die aan de binnenzijde zijn voorzien van een voering van zachte kussentjes.  
b.          Een helm die door een achtervanger wordt gedragen mag zonder oorbeschermers zijn, van het type dat alleen de schedel bedekt.
c.          Een helm die gebarsten, gebroken, gescheurd of veranderd is, zal onreglementair worden verklaard en uit de wedstrijd worden verwijderd.


1.32          Home team (Thuisspelende team)
Dit is het team op het terrein waarvan de wedstrijd wordt gespeeld of, indien de wedstrijd op neutraal terrein wordt gespeeld, het team dat door middel van een toss danwel in onderling overleg wordt aangemerkt als het thuisspelende team (de thuisclub).

1.33          Illegal bat (Onreglementaire knuppel)
Dit is een knuppel die niet voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in spelregel 3.01.

1.34          Slow pitch


1.35          Illegal pitcher (Onreglementaire werper)
Dit is een speler, die weliswaar reglementair aan de wedstrijd deelneemt, maar niet mag werpen
a.          omdat hij door de scheidsrechter of door zijn coach van de werperspositie werd verwijderd na een officieel bezoek nadat het reglementair maximale aantal toegestane officiele bezoeken als omschreven in 5.08 bereikt is.
b.          slow pitch

1.36          Illegal player (Onreglementaire speler)
Dit is:
a.          een startende speler die reglementair in de wedstrijd mag terugkomen (re-entry) na gewisseld te zijn en dit doet zonder dat het aan de plaatscheidsrechter is gemeld.
b.          een wisselspeler die aan de wedstrijd is gaan deelnemen zonder dat dit aan de plaatscheidsrechter is gemeld.
N.B.
Wanneer dit door de benadeelde tegenpartij onder de aandacht wordt gebracht van de plaatscheidsrechter na de eerstvolgende reglementaire of onreglementaire worp en voordat het overtredende team het aan de plaatscheidsrechter meldt, resulteert het gebruik van de onreglementaire speler in diens ontzegging, waarbij deze speler 'ongerechtigd' wordt verklaard.

1.37          Illegal re-entry (Onreglementaire re-entry)
Dit vindt plaats als:
a.          een startende speler voor de tweede maal terugkomt in de wedstrijd na twee maal te zijn gewisseld.
b.          slow-pitch
c.          een startende speler, na te zijn gewisseld, terugkomt in de wedstrijd, maar niet op zijn oorspronkelijke plaats in de slagvolgorde.
d.          een wisselspeler, die al eerder reglementair aan de wedstrijd heeft deelgenomen, weer terugkomt in de wedstrijd na te zijn vervangen door hetzij de oorspronkelijke startende speler die hij verving, hetzij door een andere wisselspeler.
e          de DEFO in de slagvolgorde een andere positie gaat innemen dan die van de startende DP.
f          de startende DP in de slagvolgorde een andere positie gaat innemen dan zijn oorspronkelijke positie

1.38          Illegal substitute (Onreglementaire vervanger)
Dit is een speler die aan de wedstrijd is gaan deelnemen zonder dat dit aan de plaatscheidsrechter is gemeld.
Deze speler kan:
a.          een speler zijn die nog niet eerder aan de wedstrijd heeft deelgenomen.
b.          een speler zijn die 'onreglementair' verklaard is.
c.          een speler zijn die 'ongerechtigd' verklaard is.
d.          een speler zijn die onreglementair in de wedstrijd terugkomt ('illegal re-entry').
e.          een onreglementaire DP.

1.39          Illegally batted ball (Onreglementair geslagen bal)
Dit vindt plaats wanneer:
a.          een slagman de bal goed of fout slaat terwijl hij op dat moment met een voet geheel buiten het slagperk op de grond staat.
b.          de slagman met zijn voet de thuisplaat raakt op het moment dat hij de bal slaat.
c.          de slagman de bal slaat met een onreglementaire of veranderde knuppel.
d          de slagman met een voet geheel buiten het slagperk stapt, daarna weer terugstapt in he slagperk en met beide voeten binnen het slagperk is wanneer hij de bal met de knuppel raakt.

1.40          Illegally caught ball (Onreglementair gevangen bal)
Dit vindt plaats wanneer een velder een geslagen of aangegooide bal vangt met zijn pet, masker, handschoen of met enig ander deel van zijn uitrusting of uniform, losgemaakt of losgeraakt van de plaats waar het thuishoort.

1.41          Ineligible player (Ongerechtigde speler)
Dit is een speler die niet meer reglementair aan de wedstrijd mag deelnemen omdat hem door de plaatscheidsrechter het recht ontzegd is verder aan de wedstrijd deel te nemen. Een ongerechtigde speler mag niet meer als speler deelnemen; wanneer toch van een ongerechtigde speler gebruik gemaakt wordt, resulteert dat in een verloren verklaarde wedstrijd voor het overtredende team.

1.42          In flight (In vlucht)
'In vlucht' betreft elke geslagen, geworpen of aangegooide bal die nog niet de grond of iets anders dan een velder heeft geraakt.

1.43          In jeopardy (Risico lopen uitgemaakt te worden)
Dit geeft een situatie aan waarbij de bal in spel is en een speler van de slagpartij kan worden uitgemaakt.

1.44          Infield (Binnenveld)
Het binnenveld is dat deel van het veld, op goed gebied, dat gewoonlijk door de binnenvelders wordt bestreken.

1.45          Infield fly (Binnenhoog)
Een 'binnenhoog' is een goed geslagen hoge bal (met uitzondering van een line drive of een als stootslag bedoelde boogbal) die redelijkerwijs door een binnenvelder kan worden gevangen, terwijl het eerste en tweede honk of het eerste, tweede en derde honk bezet zijn voordat er twee uit zijn. Wanneer de werper, de achtervanger of een buitenvelder zich bij binnenhoog in het binnenveld opstelt, wordt hij bij de toepassing van deze regel beschouwd ook binnenvelder te zijn.
N.B.
Indien een geslagen bal kennelijk een binnenhoog zal worden, dient de scheidsrechter, ten behoeve van de honklopers, onmiddellijk te roepen: "Binnenhoog, mits goed, de slagman is uit". De bal is in spel en de honklopers mogen opschuiven met het risico dat de bal gevangen wordt of opnieuw hun honk aanraken en opschuiven zodra de bal is aangeraakt, zoals bij iedere hoge bal.
Indien de bal een foutslag wordt, dient te worden gehandeld zoals bij iedere foutslag.
Wanneer een afgeroepen binnenhoog onaangeraakt buiten de foutlijn terecht komt en vóór het eerste of derde honk in goed gebied springt blijft het een binnenhoog.

1.46          Inning (Inning)
Dit is dat deel van een wedstrijd gedurende welke beide teams, om beurten, verdedigend en aanvallend spelen en waarin bij ieder team drie uit zijn gemaakt.
Een nieuwe inning begint onmiddellijk na de laatste uit in de voorgaande inning.

1.47          Interference (Hinderen)
Hinderen is een handeling van een speler of ander lid van de slagpartij die daardoor een speler van de veldpartij in verwarring brengt of belemmert bij zijn poging een spelactie uit te voeren.

1.48          Leaping (springen bij de worp) NIEUWE DEFENITIE
Dit is de handeling van een werper die hem, bij een worp, na zijn eerste afzet met zijn steunvoet tegen de werpplaat, geheel van de grond doet komen. De opgebouwde snelheid die wordt veroorzaakt door de voorwaartse beweging van de werper verplaatst zijn lichaam (met beide voeten tegelijkertijd van de grond zijnde) door de lucht in de richting van de thuisplaat bij het voltooien van de worp.

Dit is een onrglementaire handeling

1.49          Legal touch (Reglementair tikken)
Dit vindt plaats wanneer een honkloper of een slagman-honkloper, die niet in contact is met een honk, met de bal wordt aangeraakt terwijl een velder die bal stevig in een van zijn handen houdt.
De bal wordt niet beschouwd stevig in de hand gehouden te zijn wanneer de velder, na de honkloper te hebben getikt, de bal niet meer onder controle heeft of laat vallen, tenzij de honkloper de bal opzettelijk uit de hand(en) van de velder doet geraken. Het tikken van de honkloper met de hand of handschoen waarin de bal wordt vastgehouden volstaat.

1.50          Legally caught ball (Reglementair gevangen bal)
Dit betreft een geslagen of aangegooide bal die door een velder wordt gevangen, op voorwaarde dat de bal niet met zijn pet, helm, masker, bodyprotector, broekzak of enig ander deel van zijn uniform wordt gevangen. De bal moet zich bij de vang stevig in de hand(en) of de handschoen bevinden.

1.51          Line drive (Line drive)
Dit is een bal, die hard en strak het veld in wordt geslagen en in zijn vlucht nagenoeg geen boog, maar meer een rechte lijn beschrijft.
De bal gaat in de richting van het buitenveld zonder daarbij in het binnenveld de grond te raken.

1.52          Line-up card (Line-up card)
Een line-up card is de officiële lijst met de teamleden die bij de wedstrijd betrokken zijn. Deze lijst bevat in ieder geval:
          1. achternaam, voornaam, positie en rugnummer van de startende spelers in slagvolgorde;
          2. achternaam, voornaam en rugnummer van aanwezige wisselspelers;
          3. achternaam en voornaam van de hoofdcoach.
          N.B.
Als er een onjuist rugnummer op de line-up card staat, mag dit worden verbeterd en zonder straf wordt de wedstrijd voortgezet.

1.53          Obstruction (Obstructie)
Dit is de handeling van:
a.          een speler of ander lid van de veldpartij, die het een slagman onmogelijk maakt of hem belemmert naar een geworpen bal te slaan of deze te raken.
b.          een velder, die een honkloper of de slagman-honkloper belemmert bij het reglementair honklopen, terwijl hij:
1.          niet in bezit van de bal is,
2.          niet bezig is een geslagen bal te spelen.
3.          (vervallen)

1.54          Offensive team (Slagpartij/aanvallende team)
Dit is het team dat 'aan slag' is.

1.55          Ondeck batter (Opvolgende slagman)
Dit is de speler van de slagpartij wiens naam, in de slagvolgorde, volgt op de naam van de speler die 'aan slag' is.

1.56          Option play (Spelsituatie met keuzerecht)   
Dit is een spelsituatie waarbij de coach van het aanvallende team de keuze heeft tussen het opleggen van de straf voor de onreglementaire actie en het accepteren van het resultaat van de spelsituatie. Dit keuzerecht komt voor bij
          a.  achtervangersobstructie (zie 8.01d),
          b.  onreglementaire handschoen (zie 8.03a en 8.10o),
          c.  onreglementaire vervanging (zie 4.08),
          d.  onreglementaire worp (zie 6.08 gevolg 1-8),
          e.  onreglementaire werper die weer gaat werpen (zie 4.08i uitzondering en 6.12).
          f. Slow-pitch

1.57          Outfield (Buitenveld)
Het buitenveld is dat deel van het speelveld dat zich uitstrekt buiten het vierkant (binnenveld) dat door de honken wordt gevormd ofwel het gebied voorbij het eerste en derde honk tussen de foutlijnen en de uiterste grens van het speelveld dat gewoonlijk niet door een binnenvelder wordt bestreken.

1.58          Overslide (Voorbijschieten van een honk)
Dit is de handeling van een speler van de slagpartij, wanneer hij, als honkloper, een honk dat hij probeert te bereiken voorbijschiet. Meestal wordt dit veroorzaakt door zijn hoge voorwaartse snelheid die hem het contact met het honk doet verliezen, waarna hij het risico loopt uitgemaakt te worden.
De slagman-honkloper mag het eerste honk voorbijschieten zonder daarbij het risico te lopen uitgemaakt te worden, mits hij onmiddellijk naar dat honk terugkeert.

1.59          Overthrow (Overthrow)
Een 'overthrow' is een spelmoment, waarbij de bal door een velder naar een andere velder wordt gegooid met als gevolg dat de bal in onbespeelbaar gebied terecht komt of een blokbal wordt.

1.60          Passed ball (Doorgeschoten bal)
Dit is een geworpen bal die redelijkerwijze door de achtervanger verwerkt had moeten worden, maar die hem toch voorbij schiet.

1.61          Pitch (Worp)
Dit is de handeling van de werper, die de bal naar de slagman werpt.
N.B.
Als een worp een blokbal wordt of onbespeelbaar raakt, mogen alle honklopers één honk opschuiven zonder uitgemaakt te kunnen worden.

1.62          Pitcher's circle (Werpcirkel)
Dit is het cirkelvormige gebied rondom de werpplaat met een straal van 244 centimeter. De lijn hoort bij het gebied binnen de cirkel.

1.63          Pivot foot (Steunvoet)
Dit is de voet waarmee de werper zich (bij de worp) afzet tegen de werpplaat.

1.64          "Play ball" ("Spelen")
Dit roept de plaatscheidsrechter om aan te geven dat het spel moet worden begonnen of hervat, als de werper zich in bezit van de bal binnen de werpcirkel bevindt. Om de bal in spel te kunnen brengen dienen alle spelers van de veldpartij, met uitzondering van de achtervanger, die zich in zijn vak moet bevinden, op goed gebied te zijn.

1.65          Quick return pitch (Snelle worp)
Dit vindt plaats wanneer de werper kennelijk de bedoeling heeft een slagman, die uit balans is, snel met een worp te verrassen. Bijvoorbeeld op het moment dat de slagman zijn positie in het slagperk kiest of terwijl hij nog uit balans is tengevolge van de vorige worp.

1.66          Re-entry (Terugkomen in de wedstrijd)
Dit betreft het terugkomen in de wedstrijd van een startende speler na eerder reglementair of onreglementair te zijn vervangen.


1.67          Removal from the game (Ontzegging)
Dit betreft een handeling van de scheidsrechter die een speler of coach het recht ontzegt om verder deel te nemen aan de wedstrijd wegens overtreding van de regels.
N.B.
Iemand die dat recht tot deelname werd ontzegd mag in de dug-out of op de spelersbank blijven zitten, maar mag niet meer aan het spel deelnemen, behalve een speler die nog als coach mag optreden.

1.68          Replacement player (Plaatsvervangende speler)
Dit is een speler, die gedurende een bepaalde tijdsperiode in de wedstrijd mag komen om een speler te vervangen die de wedstrijd moet verlaten tengevolge van letsel waarbij een bloeding optreedt en waarvoor hij dient te worden behandeld.
De plaatsvervangende speler mag iemand zijn die reeds eerder aan de wedstrijd heeft deelgenomen, mits hij niet uit het veld werd gestuurd of hem de deelname werd ontzegd voor een overtreding van de regels.
Een plaatsvervangende speler wordt niet aangemerkt als een vervanger.

1.69          Runner (Honkloper)
Een honkloper is een speler van de slagpartij die zijn slagbeurt heeft beëindigd, het eerste honk heeft bereikt en nog niet is uitgemaakt.

1.70          Slap hit (Slap hit)    NIEUWE DEFINITIE
Een slap hit is een geslagen bal, die met een ingehouden korte hakbeweging, in plaats van met een volledige zwaai van de knuppel, werd geraakt.
De twee gebruikelijke types van een slap hit zijn:
a) die waarmee de slagman de houding aanneemt alsog hij de bal wil gaan stoten, maar vervolgens de bal met een snelle korte voorwaartse beweging hard tegen de grond slaat of de bal over het binnenveld heen tikt
b) die waarbij de slagman binnen het slagperk een paar snelle passen voorwaarts maakt in de richting van de werper alvorens met een korte snelle slagbeweging de geworpen bal te raken.

NB: een slap hit wordt niet aangemerkt als een stootslag

1.71          Squeeze play (Squeeze play)    NIEUWE DEFINITIE
Een "squeeze play" is een spelsituatie waarbij het aanvallende team met een honkloper op het derde honk, probeert die honkloper een punt te laten scoren doordat de slagman de bal met de knuppel raakt.

1.72          Starting players (Startende spelers)
Dit zijn de spelers (niet de wisselspelers) die vermeld zijn op de line-up card die aan de plaatscheidsrechter is overhandigd.

1.73          Stealing (Stelen)
Dit is de handeling van een honkloper die probeert een honk op te schuiven tijdens een worp naar de slagman.

1.74          Strike zone (Slagzone)
Dit is de ruimte boven enig deel van de thuisplaat tussen de oksels en de bovenkant van de knieën van de slagman wanneer deze zijn natuurlijke slaghouding aanneemt.

1.75          Tag (Tik)
Een tik is de handeling door een velder die
a.          een honk aantikt met enig deel van zijn lichaam terwijl hij de bal stevig vasthoudt in zijn hand(en) of handschoen, of
b.           een (slagman)honkloper met de bal aanraakt, of
c.          een (slagman)honkloper aanraakt met zijn handschoen waarin de bal zit, terwijl hij de bal voor, tijdens en na de tikactie onder controle heeft.

1.76          Tagging up (Tagging up)
Tagging up is de handeling van een honkloper die naar zijn honk terugkeert, of contact met zijn honk houdt, voordat hij reglementair opschuift op een hooggeslagen bal die voor het eerst door een velder wordt aangeraakt. Dit moet niet worden verward met de handeling van een velder die een honk of een (slagman)honkloper tikt.

1.77          Team member (Lid van het team)
Dit betreft iedere persoon die zich op de spelersbank mag bevinden.

1.78          Throw (Aangooi)
Dit is de handeling van een velder wanneer hij de bal naar een andere velder gooit.
N.B.
Indien de aangooi een blokbal wordt of in onbespeelbaar gebied terecht komt ('overthrow'), krijgen alle honklopers twee honken toegewezen, gerekend van het laatste honk dat was aangeraakt op het moment van de aangooi.

1.79          "Time" ("Time")
Dit is de term die een scheidsrechter gebruikt om een onderbreking van het spel af te roepen.
Het spel is dan dood.

1.80          Trapped ball (Trapped ball)
Een trapped ball is een
a.           reglementair hoog geslagen bal of line drive, die nog juist de grond of het hekwerk raakt voordat hij in de hand(en) of de handschoen van een velder komt;
b.          reglementair hoog geslagen bal die tegen het hekwerk wordt gevangen met de handschoen of blote hand en daarbij tussen de hand(schoen) en het hekwerk is geklemd;
c.          aangooi naar een honk in een gedwongen loopsituatie waarbij een poging wordt gedaan de bal te vangen en de handschoen zich bovenop de op de grond liggende bal bevindt, in plaats van onder de bal;
d.          geworpen bal die bij een slag de grond raakt voordat de achtervanger hem vangt.

1.81          Triple play (Driedubbelspel)
Een driedubbelspel is een ononderbroken spelactie van de veldpartij, waarbij drie spelers van de slagpartij worden uitgemaakt.

1.82          Turn at bat (Slagbeurt)
Een slagbeurt begint als een speler in het slagperk komt staan en duurt tot de slagman is uitgemaakt of slagman-honkloper is geworden.

1.83          Wild pitch (Wilde worp)
Dit is een geworpen bal die zo hoog, zo laag of zo ver buiten de thuisplaat gaat, dat de achtervanger deze geworpen bal niet kan verwerken.

2.          SPEELVELD
Er wordt verwezen naar de afbeeldingen die de officiële afmetingen weergeven van het softbalveld.

2.01          

a) Het speelveld is het gebied waarbinnen de bal reglementair kan worden gespeeld.
NB Een bal wordt beschouwd op onbespeelbaar gebied te zijn wanner de bal de grond, een persoon of een voorwerp buiten bespeelbaar gebied raakt.

b) Het speelveld moet bestaan uit een vlak terrein zonder obstakels binnen een straal, tusssen de foutlijnen, van minstens

1)           voor dames 67,06 meter, gerekend vanaf de thuisplaat
2)           voor heren 76,20 meter, gerekend vanaf de thuisplaat

c) Buiten de foutlijnen en ook tussen de thuisplaat en backstop moet een gebied zonder obstakels liggen van niet minder dan 7.62 meter en meer dan 9.14 meter breedte

d) Het speelveld mag een waarschuwingsstrok (Warning track) hebben:

1) deze moet dan binnen het speelveld gelegen zijn, direct grenzend aan enige permanent aanwezige omheining langs de achterste rand van het veld; eventueel ook direct tegen de afrastering langs de beide zijranden van het veld
2) Deze strook is minimaal 3.65 meter en maximaal 4.57 meter breed, gerekend vanaf het buitenveldhek en-of vanaf de hekken langs de zijkanten van het veld
3) De strook moet gemaakt zijn van materiaal (als aarde, gravel) dat afwijkt van de speelveldgrond, maar dat daarmee wel op gelijk niveau ligt. Het materiaal waaruit de waarschuwingsstrook is samengesteld, moet duidelijk kunnen worden onderscheiden van het overige buitenveldterrein en heeft een signalerende functie voor spelers als zij de omheining naderen.

NB Het is niet de bedoeling van deze aanbeveling voor een warning track, dat op enig voor softbal bestemd terrein nu een waarschuwingsstrook moet worden gemaakt in het buitenveldgebied (dat uit gras of iets dergelijks bestaat) wanneer gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke, veldbegrenzende omheining (dat wil zeggen wanneer op een specifiek slowpitchveld of honkbalveld een fastpitchwedstrijd wordt gespeeld)


2.02          Over de grondregels, met betrekking tot de grenzen van het speelveld, kunnen afwijkende afspraken worden gemaakt, wanneer backstops, hekwerken, tribunes, voertuigen, publiek of andere obstakels zich binnen het speelveld bevinden.
Ieder obstakel op goed gebied, dat zich dichter dan 67,06 meter voor dames en dichter dan 76,20 meter voor heren bij de thuisplaat bevindt, dient duidelijk te zijn gemarkeerd ten behoeve van de scheidsrechter. Indien een honkbalveld wordt gebruikt, dient de heuvel te zijn verwijderd en de backstop op de vereiste afstand van de thuisplaat te zijn geplaatst.

2.03          De afstand tussen de honken is 18.29 meter.
De afstand van thuisplaat tot werpplaat is:
Bij de senioren dames 13.11 meter, bij de heren 14.02 meter.
N.B.
Indien tijdens de wedstrijd wordt geconstateerd dat de afstanden niet juist zijn, dan dient de fout te worden hersteld bij het begin van de volgende nieuwe inning, waarna het spel wordt voortgezet.

2.04          Voor het uitleggen van een binnenveld wordt verwezen naar de afbeelding met de officiële afmetingen.
Deze regel dient als voorbeeld hoe een binnenveld uit te zetten met de honken 18.29 meter uit elkaar en een afstand tussen thuisplaat en werpplaat van 14.02 meter.

Om de juiste plaats van de thuisplaat vast te stellen moet een lijn worden getrokken in de richting waarin de ligging van het binnenveld wordt verlangd.

Sla een pen in de grond bij de hoek van de thuisplaat die naar de achtervanger is gericht. Bevestig een touw of koord aan deze pen en leg er knopen in of maak andere merktekens op afstanden van 14.02; 18.29; 25.86 en 36.58 meter. Leg het touw (zonder het uit te rekken) langs de eerder getrokken lijn in de aangegeven richting en plaats een pen bij het merkteken op 14.02 meter. Deze geeft het midden aan van de voorzijde van de werpplaat. Zet ook een pen bij het merkteken op 25.86 meter. Deze pen geeft het midden aan van het tweede honk. Maak nu het merkpunt op 36.58 meter vast aan een pen op het zojuist gevonden midden van het tweede honk, neem het touw vast op het merkteken dat 18.29 meter aangeeft en loop zover naar rechts ten opzichte van de lijn die de richting aangeeft, tot het touw gespannen is.
Plaats een pen bij het merkteken dat 18.29 meter aangeeft en dit punt geeft nu de buitenste hoek aan van het eerste honk. Het strakgespannen touw geeft daarbij de lijnen aan naar het eerste en van daar naar het tweede honk. Door het touw opnieuw vast te pakken op het 18.29 meter merkteken en nu, dwars over het veld, naar links te lopen kan, op dezelfde wijze, de juiste plaats van de buitenste hoek van het derde honk worden vastgesteld.

De thuisplaat, het deel van het eerste honk dat op goed gebied ligt en het derde honk bevinden zich geheel binnen de lijnen van het binnenveld. Om te controleren of het binnenveld correct is uitgezet wordt het begin van het touw nu aan de pen bij het eerste honk bevestigd en het merkteken van 36.58 meter aan de pen bij het derde honk. Het merkteken van 18.29 meter moet nu gelijk vallen met de pen bij de thuisplaat en met het midden van het tweede honk.
Indien mogelijk nogmaals alle afstanden controleren met een stalen meetband.
a.          De éénmeterlijn (the three foot line) wordt evenwijdig aan en 91 centimeter vanaf de foutlijn tussen thuisplaat en eerste honk getrokken, te beginnen op het punt halverwege de lijn van thuisplaat naar eerste honk.
b.          De slagcirkel (the batter's ondeck circle) is een cirkel met een diameter van 1.52 meter (straal 76 centimeter), die getrokken is, op fout gebied, naast het einde van de dug-out of spelersbank aan de zijde die zich het dichtst bij de thuisplaat bevindt.
c.          Het slagperk (the batter's box). Eén aan beide kanten van de thuisplaat, ieder met een breedte van 91 centimeter en een lengte van 2.13 meter. De zijden langs de thuisplaat liggen daar 15.2 centimeter van af. De voorste zijden van de perken moeten 1.22 meter vóór de denkbeeldige lijn liggen die dwars door het hart van de thuisplaat is getrokken.
De lijnen horen bij het slagperk.
d.          Het achtervangersperk (the catcher's box) dient 3.05 meter lang te zijn, gerekend van de achterste buitenhoeken van de slagperken en het vak moet 2.57 meter breed zijn.
e.          De coachvakken (the coach's boxes). Beide vakken bevinden zich buiten het binnenveld, achter een lijn van 4.57 meter lengte. Deze lijn loopt evenwijdig aan de foutlijnen bij eerste en derde honk, ligt daar 3.65 meter vanaf, begint bij het honk en loopt in de richting van de thuisplaat.
f.          De thuisplaat (the home plate): deze moet vervaardigd zijn van rubber.
De thuisplaat heeft een vijfhoekige vorm, waarvan de naar de werper gekeerde zijde 43.2 centimeter breed is.
De zijkanten zijn 21.6 centimeter lang en lopen evenwijdig aan de binnenlijnen van de slagperken. De zijden van de naar de achtervanger gerichte punt zijn elk 30.5 centimeter lang.
g.          De werpplaat (the pitcher's plate): deze moet vervaardigd zijn van rubber.
De werpplaat is 61 centimeter breed en 15.2 centimeter lang. De bovenkant van de plaat mag niet boven het maaiveld uitsteken. De voorkant van de plaat tot de achterste punt van de thuisplaat moet de volgende afstand hebben:
14.02 meter voor heren en 13.11 meter voor dames.
Om de werpplaat ligt een cirkel, met een diameter van 4.88 meter en een straal van 2.44 meter, getrokken vanuit het midden van de werpplaat.
N.B.
De lijnen die een gebied aanduiden behoren tot dat gebied.
h.          De honken (the bases other than home plate).
Het tweede en derde honk zijn vierkante kussens van 38.1 bij 38.1 centimeter grootte, niet meer dan 12.7 centimeter dik en vervaardigd van canvas of ander geschikt materiaal. De honkkussens moeten stevig op hun juiste plaats bevestigd zijn.
Het dubbelhonk moet als eerste honk gebruikt worden. De afmetingen van dit honk zijn 38.1 bij 76.2 centimeter, niet dikker dan 12.7 centimeter en gemaakt van canvas of ander geschikt materiaal. De helft van het honk is stevig bevestigd op goed gebied en de andere helft, van een contrasterende effen kleur, is vastgemaakt op fout gebied.

Voor het dubbelhonk gelden de volgende regels:
(a)          Een geslagen bal die het deel raakt dat in goed gebied ligt is een goed geslagen bal; een geslagen bal die alleen het deel raakt dat in fout gebied ligt is een foutslag.
(b)          Wanneer, na een geslagen bal, een spelactie plaats vindt op het eerste honk, of wanneer de slagman het eerste honk probeert te bereiken nadat de derde slag niet werd gevangen en de slagman-honkloper raakt alleen het deel aan dat in goed gebied ligt en de veldpartij daarna appelleert voordat de slagman-honkloper op het eerste honk is teruggekeerd, is de slagman-honkloper uit.
N.B.
Dit wordt op dezelfde wijze behandeld als het missen van een honk.
(c)          Een speler van de veldpartij moet te allen tijde dat deel van het honk gebruiken dat op goed gebied ligt.Uitzondering
Bij iedere spelactie welke plaats vindt, terwijl de bal in spel is, vanaf fout gebied aan de kant van het eerste honk, mogen zowel de slagman-honkloper als de speler van de veldpartij ieder deel van het honk gebruiken.
(d)          Na het honk te hebben bereikt, over en voorbij het honk doorgelopen te zijn en er daarna naar terugkerend, moet de slagman-honkloper terugkomen op het deel dat in goed gebied ligt.
(e)          Bij in het buitenveld geslagen ballen waarop geen aangooi volgt naar het eerste honk mag de slagman-honkloper elk deel van het dubbelhonk gebruiken.
(f)          Bij het opnieuw aanraken van en/of gereed staan op het honk om te vertrekken na een hoog geslagen (vang)bal, moet het deel dat in goed gebied ligt worden gebruikt.
(g)          Bij een poging een honkloper, die niet in contact met zijn honk is, verrassenderwijs uit te maken ('pick off'), moet deze honkloper terugkeren naar het deel dat in goed gebied ligt.
(h)          Wanneer een honkloper terugkeert naar het deel dat in goed gebied ligt en vervolgens nog slechts in contact is met het deel in fout gebied, wordt hij beschouwd niet in contact met het honk te zijn en de honkloper moet worden uitgegeven als hij:
1.          met de bal wordt getikt.
2.          na een worp vanaf dit deel vertrekt.
N.B.
Het dubbelhonk moet (ook) worden gebruikt bij ISF Wereldkampioenschappen.